Rassenkeuze en oogstmodaliteiten

Voederbieten worden bijna uitsluitend mechanisch gerooid. Hierbij moet men zich vóór de inzaai goed informeren en de rassenkeuze hierop afstellen:

  • De afstand tussen de rijen en de plantdichtheid is afhankelijk van de oogstmachine. Voor het rooien met een suikerbietrooier is een homogene stand van 85.000 pl./ha optimaal. De tussenrij-afstand bedraagt meestal 50 cm.
  • Als de voederbieten ongemalen vervoederd worden dan moet een ras met een drogestofgehalte lager dan 15 % gekozen worden. Het drogestofgehalte in deze tabel is een gemiddelde over meerdere jaren en geeft een goede indicatie van het te verwachten drogestofgehalte.
  • Voor een mengkuil maïs-voederbieten zal een voederbietras minimaal 15,5 % DS bevatten en zo weinig mogelijk aanklevende aarde in de kuil meenemen. Bedenk hierbij dan dat de bietenoogst meestal begin oktober moet gebeuren, met een iets lager drogestofgehalte en drogestofopbrengst als in het rassenoverzicht is weergegeven tot gevolg. In onderzoek en praktijk zoekt men naar andere producten om samen met de bieten in te kuilen vb. perspulp. Dit laat toe om de voederbieten later te oogsten en hun productiecapaciteit te benutten.
  • Bij de oogst worden de bieten het best ontbladerd en niet ontkopt (hoogstens in het bladrozet snijden). Dit is noodzakelijk als de bieten vers bewaard worden om rotting te voorkomen.
©Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO) - - Contact
Vermenigvuldiging of overname van gegevens toegestaan mits duidelijke bronvermelding.