Rassenkeuze en standdichtheid

Algemeen ligt de beste zaaitijd van kuilmaïs tussen 20 april en 5 mei. Op bedrijven waar vroeg kan gezaaid worden (vóór 1 mei) dient de voorkeur uit te gaan naar de meest productieve rassen uit de zeer vroege en vroege rassen. Een hoge verteerbaarheid is hierbij een pluspunt voor hoog productieve koeien. Halfvroege tot halflate rassen kunnen soms een zeer hoge opbrengst geven. Bij de keuze van deze rassen dient de landbouwer zich bewust te zijn van een zeker risico van onvoldoende afrijping onder minder gunstige weersomstandigheden in het najaar. Een halfvroeg tot halflaat ras komt niet meer in aanmerking voor zaai na 1 mei. In deze rassenlijst worden geen late rassen aanbevolen aangezien geen enkel ras aan de normen voldoet.

Voor late zaai of vroege oogst zijn zeer vroege rassen geschikt. Naast de totale drogestofopbrengst speelt hierbij de legervastheid en de verteerbaarheid een belangrijke rol.
De meest aangewezen standdichtheid is 100.000 planten/ha en zaai tot begin mei. Bij een gemiddelde veldopkomst van 85 tot 90 % is aldus een uitzaai van 115.000 zaden/ha gewenst.
Voor lange bladrijke rassen is een hogere standdichtheid dikwijls ongunstig omdat vroegrijpheid en legervastheid afnemen en de oogstverliezen toenemen. Bij korte, minder massale rassen leidt een hogere plantdichtheid meestal wel tot een hogere opbrengst. Indien een dergelijk ras goed legervast is, is het zinvol de zaaidichtheid te verhogen tot 120.000 korrels/ha om te komen tot een plantgetal van 110.000 planten/ha.