Landbouwkundige eigenschappen

Vroegrijpheid - drogestofgehalte (DS-gehalte) van de gehele plant

Het meest gewenste DS-gehalte wordt bereikt bij een harddeegrijpe korrel. Het gewas heeft dan ongeveer een DS-gehalte van ± 30%. Het DS-gehalte van de gehele plant is een belangrijke maatstaf voor inkuilverliezen. Bij een DS-gehalte van 27 % of lager nemen de inkuilverliezen aanzienlijk toe.

Globaal verband tussen oogstdatum, DS-gehalte, kolfpercentage en inkuilverliezen bij kuilmaïs onder normale teeltomstandigheden

Rijpheidsstadium
van de korrel
DS% in kolf DS% in gehele plant % kolf
(op DS%)
Inkuilverliezen
(in % DS)
Melkrijp 30 18-21 30-35 10-15
Zacht deegrijp 40 21-25 40-45 8-12
Deegrijp 50 25-29 45-50 6-10
Hard deegrijp 55 30-35 50-55 4-8

Het DS-gehalte van de gehele plant is afhankelijk van verscheidene factoren. Het tijdstip van de bloei, de snelheid van afrijping, het kolfaandeel, het drogestofgehalte van stengel en blad, de mate van aantasting door stengelrot evenals het weer bij de oogst beïnvloeden het uiteindelijke drogestofgehalte van de gehele plant. Onder gunstige omstandigheden kan een laatbloeiend ras door een snelle afrijping toch een relatief hoog DS-gehalte bereiken. Bij late zaai, vroege oogst, trage afrijping door weinig instraling of vroege nachtvorst, valt het DS-gehalte van laatbloeiende rassen echter vaak tegen.
Bij veel aantasting door stengelrot vertoont het DS-gehalte dikwijls een sterke stijging. Rassen met een matige resistentie tegen stengelrot hebben dan relatief een hoger DS-gehalte dan goed resistente gewassen maar de kwaliteit van het te oogsten gewas kan sterk dalen.

Legervastheid

Hoewel legering geen algemeen verschijnsel is, komt in sommige jaren of op bepaalde percelen vrij ernstige legering voor. Vooral wanneer het gewas een periode van zeer snelle groei heeft gekend, is het gevoelig voor legering. Bij een legerend gewas liggen de stengels meestal in dezelfde richting. Wegens het oogst- en capaciteitsverlies wordt meer dan tien procent gelegerde planten als bezwaarlijk ervaren. Legering treedt vaak vooral op bij laat gezaaide gewassen. Ook een te dichte stand leidt tot iets meer legering. Legering wordt meestal veroorzaakt door wortelzwakte, doch soms kan ook stengelzwakte een belangrijke oorzaak zijn.

Een gebrek aan stevigheid door wortelzwakte, waarbij de planten bij de grond scheef groeien of omvallen, komt zowel bij korte als bij lange rassen voor. Bij legering door stengelzwakte breken of knikken de groene stengels op ongeveer een meter boven de grond; dit in tegenstelling tot stengelrot waarbij vaak de voze stengel(voet) omknikt. Het breken of knikken van de groene stengel komt voornamelijk voor bij lange rassen met een hoge tot zeer hoge kolfaanzetting. Legering kan optreden over het gehele groeiseizoen.

Bij zomerlegering treedt meestal nog herstel van het gewas op. Wel blijven dan vaak de karakteristieke "wandelstokken" over, die bij de oogst een wat langere stoppel achterlaten.

De waarderingscijfers voor stevigheid zijn hoofdzakelijk gebaseerd op het percentage gelegerde planten bij de oogst. Duidelijke rasverschillen komen hierbij tot uiting.

Opbrengst

De gegevens voor de totale DS-opbrengst (in relatieve waarden) zijn verrekend t.o.v. het gemiddelde van alle rassen en zijn dus onderling vergelijkbaar. De VOS (verteerbare organische drogestofopbrengst) is berekend op basis van de totale droge stofopbrengst en de verteerbaarheid.

Verteerbaarheid

Bij kuilmaïs is de verteerbaarheid het belangrijkste kwaliteitskenmerk. De waarden in de tabellen geven het percentage verteerbare organische stof uitgedrukt in relatieve cijfers t.o.v. het gemiddelde van alle rassen. Het betreft het gemiddelde verteerbaarheidscijfer van minimum 2 proefjaren met 9 analyses per jaar. De bepalingen gebeuren met de NIRS-methode (Nabije Infrarood Spectroscopie) gebaseerd op de cellulasemethode.
Het verschil in verteerbaarheid per kg drogestof (100 = 75,8 %) tussen het meeste en het minst verteerbare ras bedraagt ± 4,7 % (abs.).

Rasverschillen worden voor een belangrijk gedeelte bepaald door genetische verschillen in verteerbaarheid van de celwandbestanddelen. Vroegheid en kolfaandeel spelen daarbij eveneens een rol. Ook de invloed van het jaar en de plaats is niet te onderschatten.

Zetmeel

Daar zetmeel alleen in het graan voorkomt is het zetmeelgehalte van de plant een goede maat voor het kolfaandeel. Daarenboven is een hoog zetmeelgehalte een aanduiding van een proportioneel goede afrijping.

Kuilmaïsrassen, hetzij vroegrijpe hetzij vroeg gezaaide halfvroege rassen, met een hoog zetmeelgehalte, komen dus ook in aanmerking voor MKS (maïskolvenschroot) of CCM (Corn Cob Mix). Dit kan nuttig zijn voor landbouwers die bij de uitzaai nog niet willen kiezen voor de gebruiksdoeleinden (kuil of MKS - CCM).

In deze rassenlijst zijn de resultaten voor zetmeel gebaseerd op het gemiddelde van minimum 2 proefjaren met 9 analyses per jaar. Zoals voor de verteerbaarheid zijn de analyses uitgevoerd met de NIRS-methode.
Tussen de rassen bedraagt het verschil in zetmeelgehalte ± 9 eenheden.

©Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO) - - Contact
Vermenigvuldiging of overname van gegevens toegestaan mits duidelijke bronvermelding.