Bladkool en mergkool 2019

Belangrijkste kenmerken van rassen van Bladkool en Mergkool1

Ras Jaar van
opname
DS-opbrengst2 Verteerbaarheid (%) Jeugdgroei
(1-9)3
Wintervastheid
(1-9)3
DINO 1997 96,5 78,8 7,9 7,4
WILMA 2001 96,4 79,9 7,2 7,5
NAPOLEON 2005 107,1 80,5 8,8 7,7
100 = ... ton/ha - 4,25 - - -

1 Overname van de volledige tabel uit de Belgische aanbevelende rassenlijst mits bronvermelding is toegestaan, namaak is verboden
2 100 = gemiddelde van alle rassen van blad- en mergkool op de Belgische Rassenlijst
3 Hoe hoger het cijfer, hoe beter

Bladkolen brengen in het algemeen minder op dan stoppelknollen maar laten meer stoppelresten in de grond achter. Zoals bij stoppelknollen wordt aanbevolen om bladkool einde juli tot de eerste helft van augustus te zaaien. Mergkool brengt bij zaai tijdens de tweede helft van juli meer op dan bladkool en stoppelknol. Bij vroege zaai kunnen sommige rassen tamelijk grove stengels vormen. Verontreiniging met grond, zoals kan voorkomen bij de oogst onder natte omstandigheden, is nadelig voor de voederopname. Bij de rassenkeuze zijn naast de DS-opbrengst, de verteerbaarheid (kwaliteitsruwvoeder), een goede legervastheid (weinig oogstverlies en verontreiniging met grond bij het hakselen) en een goede wintervastheid (vers vervoederen over een lange periode) van belang.

©Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO) - - Contact
Vermenigvuldiging of overname van gegevens toegestaan mits duidelijke bronvermelding.